Register 1 — wetenschap. Op deze pagina staat geen getal waarvan de methodesectie van de bron niet is gelezen. Wat alleen uit een samenvatting komt, staat er met die vermelding bij.

ForwardJuntos · interactief model

Je brein in 3D

Draai eraan, kijk erin, en zie waar MS de verbindingen raakt. Geen scan van iemand, geen diagnose — een schematisch model om te begrijpen waar de woorden van je neuroloog over gaan.

Deze kaart is gemaakt door Dominique Hermans, die zelf MS heeft en geen onderzoeker is. Zij is niet bewezen en zij kan onwaar zijn; op deze pagina staat erbij hoe.

Schematisch model · geen medisch hulpmiddel · geen diagnose of behandeladvies

Gezond model
Sleep om te draaien · scroll of knijp om in te zoomen · klik op een structuur
Zenuwkaart de uitleg loopt mee met wat je aanraakt

Draai het model eens rond. Zodra je een knop of een schuif aanraakt, staat hier wat je op dat moment laat zien — in zinnen die je hardop kunt uitspreken.

De krommingstoets — waar PIRA wél een plek heeft

Deze kaart gaat over plekjes die groeien. Een groot deel van de achteruitgang bij MS gebeurt zónder nieuw plekje. Dat deel heeft wél een plek: de rand van het hersenvocht. Hieronder staat een tweede, veel kleiner model — niet dit front, maar een ander.

Dit is niet het front van deze kaart. Dit is een tweede, veel kleiner model — en het gaat over precies dat deel van MS dat hierboven ontbreekt.

Kijk naar de twee stroken. Allebei zijn ze een doorsnede door de schors: boven de buitenkant, onder de grens met de witte stof. Daartussen zit maar 2,4 millimeter.

Links een groef tussen twee hersenkronkels, rechts de bult van een kronkel. In de groef blijft de stof uit het hersenvocht hangen; op de bult wordt hij weggespoeld. Daarom gaat de groef eerder kapot.

Het patroon dat je nu ziet — groef eerst, bult later — heb ik niet ingebouwd. Het komt uit de vergelijking. En het is precies wat er in het onderzoek gemeten is. Dat is de reden dat dit de moeite waard is: het is een voorspelling, en dus iets waarop ik ongelijk kan krijgen.

Bijgewerkt 8 september, en het is een aanname die er niet bij stond. Deze strook rekent de diepte in alsof de stof alleen naar binnen trekt en niet ook opzij. Dat is geen slordigheid maar een keuze, en die keuze heeft nu een naam en een getal: A = 0, geen zijdelings transport. Formeel nagerekend, en de uitkomst is scherper dan ik had verwacht: de formule van deze strook is exact dan en slechts dan als A = 0. Niet een benadering — een grensgeval. Loopt de stof wél opzij, dan doven de verschillen tussen groef en bult sneller uit dan hier getekend, en dan overschat deze strook hoe diep dat verschil standhoudt. Bijgewerkt 12 september — en die leesvraag is beantwoord, in mijn nadeel. Hier stond tot vandaag dat er in dit hele dossier geen gemeten getal voor A uit weefsel stond. Dat is niet langer waar. In de schors van de rat is de verspreiding in dríe loodrechte richtingen gemeten, de diepte erbij, en zij is in alle drie even snel: A = 1,01, met een onzekerheid van 0,03. A = 0 ligt daar vierendertig standaardfouten vandaan.
Wat dat voor deze strook betekent, zonder verzachting. De verhouding tussen groef en bult begint bij beide waarden op 9, maar zakt bij de gemeten A weg met de diepte: 7,1 op een halve millimeter, 5,9 op één, 3,7 op 2,7. Bijgewerkt 12 september, tweede keer vandaag: deze strook rekent dat nu zelf uit. Tot een uur geleden tekende zij 9 op elke diepte, met dit bijschrift ernaast om het recht te zetten. Een tekening die tegengesproken wordt door haar eigen onderschrift is geen tekening maar een excuus. De schuif hierboven zet de gemeten waarde aan; het vinkje "reken zonder zijwaarts transport" zet hem terug op nul en laat zien wat hier tot vandaag stond. Zet ze naast elkaar — dat verschil is wat de meting mij kostte.
En wat het níet betekent. Haal de kromming uit de bron weg en de verhouding wordt exact 1 op elke diepte — bij elke A. Dat groeven eerder aan de beurt zijn blijft dus staan en blijft groot: ook bij de gemeten waarde is de verhouding op één millimeter nog bijna zes. Wat omvalt is niet het mechanisme maar het diepteverloop. Deze strook moet herrekend worden, niet weggegooid.
Waar de aanname nog kan leven, en het is smal. De rat heeft geen plooien. Het gemeten weefsel is een gladde schors, en dit hele krommingsverhaal gaat juist over groeven en bulten. De ene vraag die overblijft: verandert A in de bódem van een groef, waar de kolommen samengedrukt en gekromd staan? Ik verwacht van niet — gerichte verspreiding komt in dit weefsel van gemyeliniseerde evenwijdige bundels, en corticale kolommen zijn dat niet. Die verwachting staat hier zodat iemand haar kan weerleggen.
Kandidaat — 13 september, en hij raakt de maat en niet het mechanisme. Formeel nagerekend blijkt de hele verhouding tussen groef en bult van één getal af te hangen: u = κ·e−(μ−1/ℓ)x, met R = (1+u)/(1−u). De natuurkunde — A, de plooilengte, ℓ — zit daarin uitsluitend in de exponent. κ staat er alleen als voorfactor. Maar R is niet lineair in u, en daardoor gebeurt dit: over de eerste 2,7 mm zakt het contrast u met 27,6 %, en dat getal hangt niet van κ af; de verhouding R zakt over diezelfde afstand met 10,8 % bij κ = 0,2, 28,9 % bij 0,5, 58,3 % bij 0,8 en 75,1 % bij 0,9 — bij verder identieke A, plooien en ℓ. Het diepteverloop dat deze strook sinds 12 september tekent, is daarmee kwantitatief voor het grootste deel een uitspraak over κ, en κ is gekozen en niet gepast. Dood als: κ komt ergens anders vandaan dan uit deze kaart. Ligt κ vast, dan wordt het diepteverloop van R wél een uitspraak over A. Zolang dat niet zo is, is de schone te meten grootheid het contrast u en niet de verhouding R — dezelfde meting met een andere noemer, en ongevoelig voor de enige parameter die nergens op rust. Dit staat hier als kandidaat en niet als tiende falsificatie; de telling blijft negen. Voříšek I, Syková E, Evolution of anisotropic diffusion in the developing rat corpus callosum, J Neurophysiol 1997;78:912–919 — methodesectie en Tabel 1 gelezen. Grijze stof, laag V van de somatosensorische neocortex, P21–23: λx = 1,54 ± 0,02, λy = 1,54 ± 0,02, λz = 1,55 ± 0,01 (gemiddelde ± standaardfout, n = 12 metingen in 6 dieren). De z-as is de diepte-as: de ionoforesepipet wordt 110–180 µm onder de meetelektrode gebracht. Daaruit A = (λz/λx)² = 1,013 ± 0,029; 95 %-interval 0,96 tot 1,07. De sterkste kant van dit stuk is de controle: dezelfde opzet vindt in hetzelfde dier in het corpus callosum wél anisotropie (1,46 / 1,70 / 1,72; P < 0,001), dus de methode ziet gerichtheid als zij er is en ziet haar in de schors niet. De derde lengte, en zij stond hier tot 13 september niet. Naast ℓ en μ heeft het contrast een eigen vervallengte: ℓc = 1/(μ − 1/ℓ). Met A = 1,013 en plooien om de 12 mm is dat 8,35 mm bij de corticale ℓ = 0,91 mm en 5,15 mm bij de periventriculaire 1,62 mm — negen respectievelijk drie keer lánger dan ℓ zelf. Dat is de lengte die het meetvenster van falsificatie 2 bepaalt, en zij is niet de lengte die deze kaart elders toont. Het contrast overleeft de schorsdikte dus ruimschoots; dat de getékende verhouding toch zakt, komt uit de kandidaat hierboven. En de afspraak achter k, die nergens stond. De strook rekent met k = 2π/plooilengte, en "plooilengte" is hier de volle periode, van groef tot groef — groef en bult liggen een hálve periode uit elkaar, want de bron is S(y) = S0(1 + κ·cos ky). Ware het de afstand groef-tot-bult, dan hoorde er k = π/plooilengte te staan en werd ℓc 32,1 mm in plaats van 8,35 mm, met een daling van 27,1 % in plaats van 58,3 %. Een factor twee in die afspraak halveert het hele effect waar _55 over ging, en daarom staat zij nu op papier. Het bereik 8–30 mm is als volle periode bedoeld; als groef-tot-bultafstand zou het op 16–60 mm neerkomen en dat is te ruim voor een menselijke schors. De afspraak is een keuze, geen meting — zij staat hier zodat de volgende lezer er niet over struikelt. Geverifieerd met AXLE (Lean 4.33.0 + Mathlib), veertien stellingen, nul fouten; volledig in Afdracht_AXLE_de-tweemoden-geverifieerd. De auteurs geven de reden: laag V bestaat uit cellichamen, dendrieten en axonen zónder voorkeursrichting, en in het corpus callosum verschijnt de gerichtheid pas met de myelinisatie na de dertiende dag. Drie beperkingen, in volgorde van belang: de rat is gladhersenig, dus het gemeten weefsel heeft geen plooien; het is rat en geen mens, dag 4 tot 29; en het is een klein ion van 74 dalton over honderd micrometer, terwijl deze kaart millimeters rekent met een onbekende stof. Maar geen van drieën redt A = 0, want A = 0 vraagt dát er zijwaarts niets beweegt, en de gemeten verspreidingsvorm is een bol. Volledig in Correctie_de-meting-bestaat-wel en Leesronde_de-buitencelruimte. Met een bron die lángs de rand varieert lost cos(k·s)·e−μx de vergelijking D_x∂²c/∂x² + D_s∂²c/∂s² − λc = 0 op met μ² = A·k² + 1/ℓ², waarin A = D_s/D_x de anisotropieverhouding is en ℓ = √(D_x/λ) de vervallengte die deze kaart meet. Bij A = 0 is μ = 1/ℓ voor elke k. Bij gelijke diffusie in alle richtingen (A = 1) en plooien om de 12 mm zakt ℓk van 0,910 naar 0,822 mm, en zakt de groef/bult-verhouding van 9,00 aan het oppervlak naar 5,91 op 1 mm en 3,78 op 2,7 mm. Negen stellingen zijn machinaal geverifieerd — waaronder mu_eq_iff_A_nul, pde_kern, R_constant, R_daalt en A_uit_mu_inverteert — in Randmoden_anisotroop_v2.lean via AXLE, omgeving lean-4.33.0 met Mathlib, nul gezakte declaraties, 8 september 2026. Wat die verificatie niet doet: zij beschermt tegen rekenfouten en niet tegen een verkeerd model. De diffusietensor is hier bovendien diagonaal en constant, terwijl zij in weefsel met de banen meedraait; de meetkunde is vlak en periodiek en het veld staat stil. Volledig in Notitie_falsificatie-8-wordt-een-getal en Afdracht_AXLE_de-randmoden.

Uitleg in

Weergave

Drie hypothesen naast elkaar

Tijdstart

Wat deze as niet is: geen kalender. Het model beweegt op ≈ 0,038 mm/jaar; de kliniek meet elke 6–12 maanden en bevestigt progressie in 3–6 maanden — twee ordes van grootte ertussen.

Wat er buiten valt: achteruitgang zónder nieuwe laesie (PIRA). Dit is een model van laesievorming, niet van smouldering.

β — schade maakt nieuwe rand3.00

Littekenvorming e (derde veld)0.00
Herstel r (remyelinisatie)0.00

Zonder deze term kunnen de modellen alleen groéien — en een model dat niet kan krimpen, kan door krimp ook niet weerlegd worden. Met één variabele dooft het front uit bij r ≥ k; met twee variabelen bij r ≥ √(αβ).

Diffusie D (astrocyt-netwerk)0.10
Reactiesnelheid k / α — rand duwt schade voort1.00

Frontsnelheid v = 0.63. Zet de tweede variabele aan en deze waarde wordt gemeten aan de oplossing in plaats van uit een formule gehaald.

Kijk naar binnen

Schors doorzichtig0%
Structuren
Herkomst

Niet alles in deze kaart is even hard. Zet dit aan en je ziet welk deel op een meting rust en welk deel op een tekening.

De vijfde klasse. De staafjes zijn de enige elementen in deze kaart die op een persoonlijke mededeling rusten: A. van den Bosch (Nederlands Herseninstituut), bericht van 26 augustus 2026, niet gepubliceerd. Zij ziet de knobbels in lengtedoorsnede vaak uitgerekt en in dwarsdoorsnede rond, en zegt er zelf bij dat een 3D-reconstructie nodig zou zijn om het hard te maken. Wat het niet beslist: in oogzenuw en ruggenmerg lopen de grote vaten óók in de lengte. Uitgerekt langs de as kan daar “langs de baan” of “langs het vat” betekenen.

Maat: 1 modeleenheid ≈ 85 mm van links naar rechts. De vertaling van atlas naar kaart klopt op ~3 mm bij de hersenbalk en op ~12 mm bij de hersenstam — het is een schema, geen brein.

Kies een structuur

Klik in het model of gebruik de knoppen hierboven. Je krijgt dan te zien wat die structuur doet, en wat MS er kan veranderen.

Schors (grijze stof) Witte stof (bekabeling) Hersenbalk Hersenkamers (vocht) Diepe aders Gerekende baan Kleine hersenen Hersenstam & ruggenmerg Plek van MS-schade

Stap 1 · wat je ziet

Vier plekken waar MS zich meestal laat zien

Neurologen kijken op een MRI naar vier gebieden. Zitten er op minstens twee daarvan plekjes, dan past dat bij het beeld van MS. Zet het model op Met MS en je ziet ze oplichten.

1

Rond de hersenkamers

Midden in je hoofd liggen holtes met vocht. Daaromheen lopen dikke bundels verbindingen. Dit is de plek waar MS het vaakst begint.

Neuroloog zegt: periventriculair

2

Tegen de schors aan

Vlak onder de buitenrand, waar de denkende laag overgaat in de bekabeling eronder.

Neuroloog zegt: juxtacorticaal

3

Hersenstam en kleine hersenen

De doorvoer naar je lichaam en het gebied voor evenwicht. Schade hier merk je vaak snel: dubbelzien, duizeligheid, onvaste gang.

Neuroloog zegt: infratentorieel

4

Ruggenmerg

De kabelbundel naar armen en benen. Smal, dus een klein plekje kan hier veel gevolgen hebben.

Neuroloog zegt: spinaal

Stap 2 · van dichtbij

Waarom een plekje het signaal vertraagt

Zenuwvezels zijn geïsoleerd met myeline, een vettige laag in stukjes om de vezel heen. Door die stukjes springt het signaal — dat gaat snel. Waar de isolatie weg is, moet het signaal kruipen in plaats van springen.

Dit is waarom klachten bij MS zo kunnen wisselen: een signaal dat aankomt maar te laat, geeft iets anders dan een signaal dat helemaal niet aankomt. En herstel van isolatie kan een klacht weer laten verdwijnen.

Stap 3 · wat je ermee kunt

Waarvoor je dit kunt gebruiken

Een vraag stellen die past

Als je weet wáár iets zit, kun je gerichter vragen. "Zit het bij mij ook in het ruggenmerg?" is een andere vraag dan "is het erg?".

Een uitslag beter volgen

De woorden op een verslag — periventriculair, infratentorieel — verwijzen naar plekken die je nu hebt gezien.

Het uitleggen aan anderen

Aan je partner, je kinderen, je werkgever. Draaien en aanwijzen werkt vaak beter dan uitleggen met woorden.

Wat dit niet is

Geen afbeelding van jouw hoofd. De plekjes staan op veelvoorkomende plaatsen, niet op die van jou. Alleen je eigen scan zegt iets over jou.

Woordenlijst

Moeilijke woorden, simpel

Myeline
De isolatielaag om een zenuwvezel. Zorgt dat een signaal snel door kan springen.
Demyelinisatie
Het verdwijnen van die isolatielaag. Het signaal wordt dan trager of komt niet aan.
Laesie of plekje
Een gebiedje waar de isolatie is aangetast. Op een MRI zichtbaar als een lichte vlek.
Witte stof
De bekabeling van je brein: vezels met isolatie eromheen. Wit door het vet in de myeline.
Grijze stof
De buitenste laag en enkele diepere kernen, waar de cellichamen zitten. Hier wordt verwerkt.
Hersenbalk
De brede brug tussen de linker- en rechterhelft. Latijn: corpus callosum.
Hersenkamers
Holtes met hersenvocht, midden in het hoofd. Latijn: ventrikels.
Periventriculair
Rondom die hersenkamers. Meest voorkomende plek voor MS-plekjes.
Juxtacorticaal
Direct tegen de schors aan.
Infratentorieel
Onder het tentorium, het vlies boven de kleine hersenen. Dus: hersenstam en kleine hersenen.
Knoop van Ranvier
Het onbedekte stukje tussen twee isolatiestukjes. Daar springt het signaal naartoe.
Reactie-diffusie
Wiskunde van iets dat zich verspreidt (diffusie) én zichzelf versterkt (reactie). Een golf die op eigen kracht doorloopt.